BACK

Alexandra van Thiel

      
     
       Lezing door Alexandra van Thiel in het Drents Museum, ter gelegenheid van de presentatie van “Het Kunstschildersboek” van Diederik Kraaijpoel & Chris Herenius - november 2007

Paniek

“JIJ? Weet je wat jij moet doen? Trouwen! En kindertjes krijgen!”
Dat was wat ik te horen kreeg toen ik weer eens slaande ruzie had met één van de docenten op de Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem.
*

Ik ben geboren in het zuiden, in een vooruitstrevend, katholiek milieu. Bij ons thuis hingen mooie tekeningen en schilderijen aan de muur. Dat kwam omdat mijn vader, vóór de oorlog, twee jaar kunstonderwijs had genoten aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen: een opleiding waar hij bezield over kon vertellen. Het was dan ook op zijn voorspraak dat ik vanaf mijn dertiende wekelijks privé-tekenles kreeg. Eerst van mijn vaders reclametekenaar, en daarna van een kunstenaar met lesbevoegdheid. Van deze heren leerde ik een heleboel: werken met de rietpen, met krijt, houtskool en aquarel, we gingen op locatie dieren en gebouwen tekenen, ik mocht beeldmerken ontwerpen, ik leerde om met grote gebaren portretten te schetsen, en we stapelden potten en pannen, zodat ik kon oefenen op gouaches, opgezet vanuit de vlek. Op mijn achttiende had ik dan ook al een dikke map vol gevarieerd werk, waarmee ik zonder enig probleem werd toegelaten tot de Academie in Arnhem.

In september 1976 begon ik aan mijn opleiding vrij schilderen, en dàt viel tegen! Niemand had mij er op voorbereid dat het kunstonderwijs intussen totaal op zijn kop was gezet: de lessen die ik – vanwege de verhalen van mijn vader – verwacht had aan te treffen, waren afgeschaft en vervangen door het vrije experiment. Het meest onthutsende was dat ik, juist vanwege mijn gedegen aanloop naar het kunstonderwijs, het mikpunt werd van diverse docenten. In hun ogen hadden mijn vele privé-lessen me opgezadeld met een “traditionalistische, fossiele, en angstige” bagage, waar ik vanaf moest: goedschiks of kwaadschiks. Het werd kwaadschiks, want ik heb een harde kop. Maar de prijs voor die weerspannigheid was hoog: al na één jaar verliet ik volkomen gedesillusioneerd en gedesoriënteerd de afdeling vrij schilderen. Mijn droom om kunstschilder te worden lag aan scherven.

Daarna doolde ik geruime tijd rond op de academie, maar tenslotte vond ik mijn draai op de afdeling grafische vormgeving: daar werd nog vakgericht onderwijs gegeven. Als ontwerper verdiende ik twaalf jaar lang mijn brood, zowel bij reclamebureaus, als bij een grote uitgeverij.

Maar het bloed kruipt, waar het niet kan gaan. Met de deur op slot en de gordijnen stijf dichtgeschoven begon ik kort na mijn academietijd weer vrij werk te maken, in de vorm van collages. Eerst alleen knippen en plakken, maar later voegde ik ook allerlei andere troep toe, zolang het maar geen tekenmaterialen waren.
Maar ook potlood, gouache en aquarel kwamen zoetjesaan weer bij me terug en na verloop van tijd was ik – in de beslotenheid van mijn huis – weer lekker aan het werk. Geïnspireerd op het gedachtegoed van Carl Gustav Jung maakte ik symbolistische tekeningen, op hele kleine blaadjes, die ik diep wegstopte in mapjes. Gaandeweg keerde mijn zelfvertrouwen grotendeels terug en na een paar jaar durfde ik met mijn vrije werk ook weer naar buiten te treden: naast mijn vaste baan als ontwerper maakte ik portretten in kleurpotlood voor particulieren, en voor een uitgever illustreerde ik boekomslagen. Als freelancer verdiende ik tenslotte mijn geld met zowel ontwerpen als illustreren.

Op mijn 38e verliet ik de ontwerperij, vanwege de steeds verder oprukkende digitalisering van het vak. Mijn fascinatie voor de beeldrijke wereld van Carl Jung kreeg nu ruim baan: via studie en leeranalyse ontwikkelde ik mij tot duider van dromen en tekeningen. Kortom: ik zocht de kunst niet meer, voor mij was het boek gesloten.
*

Voor mij. Het Lot dacht er echter anders over en besloot, na vijf jaar, een steen in mijn vijver te werpen. Wat zeg ik…een steen? Noem het maar gerust een heel rotsblok. Op de drempel van het nieuwe millennium bezocht ik namelijk voor het eerst in mijn leven een expositie van realistisch fijnschilderwerk… en was geschokt.
Dat dit bestond!
Dat dit mocht!
En midden tussen al dat fraaie werk barstte ik in tranen uit: dit was wat ik voor ogen had gehad toen ik als tiener naar de kunstacademie ging, en wat mij zo lelijk uit handen was geslagen. Nog diezelfde dag kocht ik wat schildersmaterialen, en een maand later was mijn eerste ‘olieverfje’ een feit.

Vervolgens zette ik de eerste schreden op het leerpad van de olieverf bij Tineke Slot-Jorritsma van Kunst & Ambacht in Noordbroek. Bij haar volgde ik een tweejarige opleiding tot decorateur. Termen als “marmeren” en “trompe l’oeil” doen bij de meeste mensen wel een belletje rinkelen, maar de opleiding is veel breder dan dat, en buitengewoon boeiend! Het decoratievak wordt doorgegeven van generatie op generatie en de wortels reiken tot diep in de achttiende eeuw. De techniek volgt eeuwenoude, vaak spannende recepturen: zo kan een decorateur bijvoorbeeld moeiteloos met gouache over olieverf heen schilderen! De kennisoverdracht is als bij de oude gilden: de meester doet voor, de leerling doet na. En ik kan u garanderen: niets is zo leerzaam als dat.

Tijdens en na deze opleiding zocht ik mijn persoonlijke schilderthema’s en tenslotte versmalde ik mijn pad tot (wederom) portretten en in stillevens. En in juni 2007, ruim dertig jaar nadat ik zo hoopvol was begonnen op de academie in Arnhem, mocht ik dan eindelijk debuteren als kunstschilder: bij galerie Lieve Hemel in Amsterdam.
*

Maar nu de reden waarom ik hier voor u sta. Als decorateur leerde ik werken met lijnolie en terpentijnolie, een combinatie die keihard indroogt. Soms moest ik wel eens oud decoratiewerk verwijderen, en dan had ik een schuurmachine nodig om de ingedroogde verf van het paneel af te krijgen. Maar voor fijnschilderwerk is lijnolie behoorlijk taai en terpentijnolie stinkt. Op den duur had ik dan ook zowel mijn medium als mijn oplosmiddel vervangen, ofschoon die zoektocht lastig was geweest. Ik had vele miskopen gedaan, en mijn werktafel stond vol met peperdure flesjes die maar één of twee keer waren gebruikt. Ik ploos er wel geregeld boeken op na en af en toe ging ik informeren bij collega’s hoe zij dingen aanpakten, maar eigenlijk…? Eigenlijk sprak alles en iedereen elkaar alleen maar tegen. Ook de mensen van de detailhandel, hoewel van goede wil, konden mij lang niet altijd wijzer maken.

Afgelopen voorjaar, in de aanloop naar de expositie, begon mij de angst te bekruipen dat ik op de drempel van het succes alsnog op mijn gezicht zou gaan. En die, noem het “debuteer-angst”, vond een brandpunt in toenemende twijfels omtrent de technische kwaliteit van mijn schilderijen. Want, naast het frustrerende gekluns met al die onbekende schildersmaterialen, was in mijn vroegere werk op allerlei fronten verval zichtbaar – en dan heb ik het over de kleurpotloodtekeningen en de collage’s. Nu liggen die collages bij mij thuis opgeslagen in dozen: van hun verval heeft – behalve ik – eigenlijk niemand last. Erger vind ik het om bij familie en bekenden mijn kleurpotloodportretten terug te zien: hoewel vervaardigd met lichtechte potloden, en opgehangen tegen noordmuren, beginnen ze onstuitbaar te verkleuren. Dat te moeten constateren roept bij mij steeds weer een gevoel van gêne op: die mensen hebben immers allemaal wel ooit betááld voor dat werk.

Het autodidactisch zoeken en soms flink klungelen, èn het besef van de, naar mijn smaak té grote vergankelijkheid van mijn oudere werk, lagen in mij geduldig te sluimeren naast de debuteerangst, wachtend op de dag dat het noodlot zou toeslaan. Ja, weet u nog: op mijn werktafel stonden al die dure, nauwelijks gebruikte flesjes, en op een vrolijke lentedag…
In mijn haast om een laatste glacis aan te brengen op een schilderij dat vrijwel gereed was voor mijn debuut bij Lieve Hemel, greep ik naar het verkeerde flesje, waardoor het verse glacis op het paneel in een oogwenk veranderde in taaie stroop… Paniek! En in mijn poging om snel met een oplosmiddel de stroop te verwijderen, poetste ik delen van de onderliggende, nog niet volledig doorgedroogde lagen weg… waarmee voor dat schilderij het doek viel.

Deze akelige ervaring begon zo hevig aan mij te knagen dat ik er nachtmerries van kreeg. En laten nu uitgerekend dromen en nachtmerries tot mijn andere werkterrein behoren. Jung stelde eens: “Men wordt niet verlicht door zich allerlei beelden van licht voor te stellen, maar door zich bewust te worden van de eigen innerlijke duisternis.”
Wat mijn onbewuste mij in feite voorhield, was dat ik op schildertechnisch gebied nog steeds in grote duisternis verkeerde. En zo werd het mij helder dat ik in feite grote behoefte had aan een vraagbaak, een echte, ouderwetse leermeester… en het zal voor u geen verrassing meer zijn, bij wie ik na enig zoeken en navragen uitkwam!

Afgelopen voorjaar heette Chris Herenius mij welkom in zijn huis en atelier. Allereerst was hij zo vriendelijk om mij gerust te stellen: ik was bepaald niet de eerste dolende kunstschilder die vertwijfeld bij hem aanklopte. Het gemis aan vaktechnische kennis bleek bepaald niet alleen mijn probleem te zijn. Die ochtend hebben we mijn schildersprocédé stap voor stap doorgenomen, en het was een opluchting te ontdekken dat ik, hetzij intuïtief, hetzij door overleg, hetzij door eigen en soms pijnlijke ondervinding gelukkig toch heel vaak de juiste keuzes had weten te maken. Maar het gesprek was buitengewoon leerzaam en heeft tot veel rust geleid. En mede dankzij Chris kon ik kort daarna zonder vrees voor instortende schilderijen genieten van mijn debuut als fijnschilder bij Lieve Hemel.
*

Wat mijn vader voor de oorlog leerde op de academie in Antwerpen, was zo gek nog niet. Wat hij daar opstak aan techniek, vakkennis en ambachtelijke vaardigheid, had ik eind jaren zeventig óók graag geleerd op de academie in Arnhem. Want hoewel in de afgelopen vijftig jaar kunstacademie-docenten waarschijnlijk handelden en nog steeds handelen vanuit de vaste overtuiging het beste voor te hebben met hun studenten, heb ik nooit, nog geen dag, nog geen MINUUT van mijn leven begrepen waarom kunst beter onderwezen zou kunnen worden als je er de basis van kennis en kunde onder uit haalt. Anders gezegd, dat je verlangt van studenten dat ze in duisternis, op de tast en zonder enig gereedschap de werkstukken proberen te maken die ze voor ogen hebben. Ik vind het dan ook een zegen dat, door middel van “Het Kunstschildersboek” dat hier vanmiddag wordt gepresenteerd, er materiaaltechnisch gezien weer een helder licht ontstoken wordt in de wereld van de kunstschilder.
*

Beste mensen, ik ben heel blij dat ik uiteindelijk getrouwd ben en kindertjes heb gekregen. Want deze, mij zo dierbare mensen inspireren mij bij uitstek om dag in, dag uit, werk te maken dat, hoewel niet voor de eeuwigheid, dan toch tenminste voor een eeuw of wàt zal blijven voortbestaan.
Ik dank u wel.

_________________________________________________________
Noot (januari 2009) voor de bezoeker van deze site:
De presentatie van “HET KUNSTSCHILDERSBOEK” kende een opbouw:

  • Diederik Kraaijpoel: Wij schilderen niet voor de Eeuwigheid
  • Alexandra van Thiel: Paniek!
  • Jan Jaap Heij: Gebrekkige materialenkennis, gevolgen voor de musea
  • Chris Herenius: Fingerspitzengefühl een illusie
  • Forumdiscussie onder leiding van Ton Hageman
  • Uitreiking eerste exemplaren van het boek

    Op verzoek van Herenius en Kraaijpoel lag in mijn lezing de nadruk op het volslagen duister waarin tegenwoordig veel kunstenaars ronddolen, waar het aankomt op technische kennis en kunde. Zelfs als zij gewoon jarenlang de kunstacademie hebben bezocht. Overigens ben ik beide schrijvers zeer erkentelijk voor de ruimte die zij mij die dag hebben geboden om mijn hart eens uit te storten over de innerlijke ravage die kunstacademies aanrichten bij leerlingen die niet mee willen gaan in allerlei vernieuwingsdrang.
  •      


    BACK