BACK BACK to publications
Exhibition Bernard Verkaaik 2008

Proeve van Bestaan

Deze catalogus is verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling van Bernard Verkaaik, 4 oktober t/m 1 november 2008, en is samengesteld en geschreven door Koen Nieuwendijk. (16 pagina's, 25 afbeeldingen in kleur, ISBN 978 9070402 266)


Leven is doen. Onder doen valt alles. Passief, actief, per ongeluk, met opzet. Met of zonder bedoeling, dat maakt minder uit dan u denkt, want uw associaties staan te trappelen te reageren op wat u wordt aangereikt. Gedachten staan nooit stil, zijn niet bij te houden, en toch te vatten, te concentreren op een manier die weer uitwerking vereist. Het belang van doen is oneindig. Los van goed en kwaad, zijn er twee perpetuum mobile's, te weten het denken zelf, en het proces van verandering dat uit het denken voortspruit. Traag of snel, rudimentair of complex, mooi of lelijk, alle vormen van onderscheid zijn betrekkelijk. Strict genomen is een bewijs van bestaan niet nodig, maar het is zoals met het woord, het is er, en het moet bevestigd en bewezen worden, herhaald als een canon, als een litanie, als middel en als doel, net als ademhalen. Dat heeft alles van doen met het stilleven.


Het stilleven, ontdaan van alle franje en betekenis die er in de loop der eeuwen aan beklijfden, is een vorm van visuele wetenschap. Eerder dan in de wetenschap zelf, waar nog steeds wordt gedacht dat het zoeken zal leiden tot de ultieme verklaring, heeft het stilleven voldoende aan het zijn en het beleven. Wil dat waar zijn, dan eist dat van de schilder dat hij afstand neemt van de zucht tot behagen, terwijl toch een tot de essentie teruggebracht schoonheidsbesef de leidraad blijft. In feite zijn dan ratio en gevoel, door verklarend denken als aparte fenomenen gekarakteriseerd, weer verenigd tot hun feitelijke ondeelbaarheid. De weg naar dit inzicht, naar deze beleving, is de toeschouwer gegund door te mogen kijken, in dit geval naar stillevens van Bernard Verkaaik.


Men stelle zich voor, een cel in een klooster, klein, sober, schemerig, stil en verder zwaar van gedachten, maar niet op slot. Wie leven brengt in de cel, licht dus en vormen, kan diep doordringen in de krochten van gedachtengoed, hersenspinsels en heroïsch inzicht, weet zich beschermd door de kleine ruimte, waar de beperking van het denken minder opvalt.
Men stelle zich voor dat voorwerpen dragers zijn van intenties, van herinneringen, van symbolen. Het geeft zekerheid hen vast te leggen, want wie zich keert naar de onzekere toekomst voelt zich gesteund door het bewijs van hun bestaan.
Wat dat betekent verklaart het schilderij “Bloesem en Stof”. Uw oog wordt getrokken door de kersenbloesem, verplaatst zich dan naar de contouren van de pot, die toch niet uitblinkt in esthetische waarden - het is de lelijkste pot die ik heb, zegt Verkaaik - en glijdt langs het spinrag tot hij stokt bij het stof. Er bestaat niets nietigers en nuttelozers dan stof. We weten van het stilleven dat eenvoud magische kanten heeft. Het stof in dit schilderij eist een hoofdrol op die de romantische waarde van de kersenbloesem intoomt, maar daardoor juist onbekommerd genietbaar maakt. Stof en kersenbloesem bewijzen elkaars bestaansrecht.




TRIAL OF EXISTENCE

This catalogue has been published at the occasion of Bernard Verkaaik's solo exhibition, October 4 - November 1 2008, and is compiled and written by Koen Nieuwendijk. (16 pages, 25 full colour reproductions, ISBN 978 90 70402 266)


Life is all about action. Action covers it all: passive or active, spontaneous or premeditated, with or without design, which makes less of a difference than you might think as your associations will be champing at the bit to respond to whatever it is you are being presented with. Thoughts never stand still and cannot be kept up with, as comprehensible as they are and condensable in a manner which in itself prompts further elaboration.
The importance of action knows no bounds. Apart from good and evil two perpetual motion devices exist, actual thought being one and the process of change arising out of thought, the other. Sluggish or swift, primitive or sophisticated, all grades of divergence are relative. Although strictly speaking no trial of existence is required, the mechanism is similar to that applying to speech: it is there, insisting on confirmation and corroboration, on being repeated as if in a round, in lamentation, as a means and an end, like breathing. Which is everything to do with the still life.



The still life stripped of the frills and implications that have been attributed to it over the centuries is a form of visual science. Sooner than science itself, where it is still believed that the quest will culminate in the ultimate revelation, the still life settles for being, for the experience. In order for this to be true, the artist must disconnect from the urge to please while continuing to gear himself to a sense of beauty which has been reduced to its bare essence. At this point ratio and feeling, characterised as separate phenomena in explicative thought, are reunited into their essential indivisibility. The lucky spectator has access to this insight, this experience, by being invited to look, say, at the still lifes of Bernard Verkaaik.


Imagine a cell in a monastery: small, sparse, dim, undisturbed and pregnant with thought, yet unlocked. He who injects the cell with life – light, shapes – can penetrate deep into the undercrofts of thinking, figments of the imagination and heroic insight, in the knowledge that he is protected by the confined space, where the restriction of thought is less obvious. Imagine objects as the carriers of intentions, of memories, of symbols. Capturing them brings certainty: he who turns to the uncertain future draws strength from the confirmation of their existence.
The message of the above is brought home by the work entitled “Blossom and Dust”. The eye is drawn to the cherry blossom before moving to the contours of the jar, whose aesthetic merits are at best pedestrian, Verkaaik himself having described it as the single ugliest receptacle in his collection, then gliding along the cobwebs and coming to a halt where it encounters the dust. Nothing is quite as insignificant or pointless as dust. The still life has taught us that there are magical aspects to simplicity. The dust in this painting commands a prominent role for itself that curbs the romantic value of the cherry blossom while making it blithely enjoyable at the same time: dust and cherry blossom as proof of one another’s right to exist.



BACK