BACK

Weekly Residuum 437 - juni 2016 A
© tekst Koen Nieuwendijk
foto © 2016 Koen Nieuwendijk

Het zou de KunstRai sieren in het verlengde van het advies van de commissie deze overwinning te vieren door één stand helemaal leeg te laten, en daarmee deze mijlpaal zichtbaar te maken.


Persbericht


Doortastende selectiecommissie redt de KunstRai

Waar: KunstRai, Amsterdam
Wanneer: 1-5 juni 2016
Wat: nieuwe selectiecommissie steekt stokje voor deelname Galerie Lieve Hemel
Waarom: niet vernieuwend, achterhaald, is geen eigentijdse kunst

Het motto waaronder de KunstRai zich dit jaar profileert luidt als volgt:
“De KunstRai profileert zich als breed geöriënteerde kunstbeurs met een hedendaagse benadering van kunst: een bewuste keuze die past bij een tijd die gekenmerkt wordt door crossovers, diversiteit, tolerantie en integratie.”

Op verzoek van diverse galerieën heeft de organisatie van de KunstRai een commissie aangesteld, bestaand uit deelnemers, die het bestuur adviseert bij de selectie van deelnemers. In deze commissie hebben zitting:
Rob Malasch, Meneer Malasch
Eduard Planting,  Eduard Planting Fine Art Photographs
Esther Munsters en Fleur Shekel, Qlick Editions
Jan van Hoof, Jan van Hoof Galerie
Rob Koudijs, Galerie Rob Koudijs

Als sluitstuk van hun bezigheden konden zij voorkomen dat Galerie Lieve deel zou uitmaken van het deelnemersveld. Zij motiveerden dat met de volgende argumenten:

Ten eerste wordt de galerie wordt beoordeeld als niet vernieuwend (“brengt altijd zo'n beetje hetzelfde en is niet erg vernieuwend”) en het expositieprogramma wordt achterhaald genoemd. De commissie vindt dat het soort werk dat de galerie brengt “niets meer met eigentijdse kunst te maken heeft en niet op de KunstRAI thuis hoort”. Omdat wordt geprobeerd de KunstRAI een nieuw gezicht te geven en het niveau te vernieuwen en te verjongen, adviseert de commissie Lieve Hemel niet uit te nodigen, zonder dat zij daarbij oordeelt over de kwaliteit van de individuele kunstenaars.

Ten tweede wordt het aantal kunstenaars dat de galerie wil presenteren te groot bevonden en de commissie verwacht dat de stand “een grote super traditionele winkel met bekende handelswaar” wordt.



Galerie Lieve Hemel feliciteert de commissie met haar dappere daad. Hoe heeft de galerie het ooit in haar hoofd kunnen halen om ook maar te denken dat zij zou kunnen worden toegelaten tot de KunstRai. De galerie snapt dat het een schande zou zijn voor de Nederlandse beeldende kunst als zij in haar opzet was geslaagd. De galerie snapt de brille en de spitsvondigheid in de woorden van de commissie en prijst de bereidwilligheid waarmee zij deze taak op zich heeft genomen. De commissie heeft ongewild bewezen dat sommige galeriehouders superieur zijn aan andere. Het is volkomen begrijpelijk dat je die niet naast elkaar moet zetten. Dat zou slecht zijn voor Nederland, niet meer en niets minder dan verloedering van de bovenste culturele plank. Maar gelukkig, de KunstRai, en daarmee de directe toekomst van cultureel Nederland, is gered.

U denkt nu natuurlijk, wat is dit voor flauwe kul.
Nou kijk.

Ik heb de argumenten van mijn collega-galeriehouders van de selectiecommissie naar eer en geweten geriposteerd (zie hieronder), maar vrees dat ik het welles-nietes-niveau nauwelijks ontstegen ben.

U gelooft het waarschijnlijk niet, maar ik denk dat ik mijn collega-galeriehouders van de selectiecommissie begrijp en hoop dat ik mijn aanvankelijke boosheid zo heb kunnen intomen, dat mijn tegenargumenten hun gewicht niet aan beledigingen ontlenen.

In mijn aanvankelijke woede bedacht ik dat ik zou oproepen tot een reveil om de ontsporingen in de wereld van de beeldende kunst aan de kaak te stellen, maar ik bedaarde en bedacht dat dat nergens toe zou leiden, zou verzanden in verbittering en onbegrip. Ik zocht vervolgens naar een invalshoek, waardoor ik de vinger op de wonde kon leggen, zonder een beschuldigende toon aan te slaan. Dat lukte me in eerste instantie niet.

Waarop ik mij ging afvragen of ik kon formuleren wat ik wilde, zonder acht te slaan op andersdenkenden. Mijn hartewens is dat men inziet, accepteert, aanvaardt dat mijn kunstenaars gedreven worden door moeilijk te benoemen passie, nauwelijks of niet verschillend van de eerste de beste avant-garde-kunstenaar. Toen kwam ik in de buurt, maar waarom moest ik zo nodig aan deskundigen gaan uitleggen dat het verklaren van de beweegredenen van mijn kunstenaars een schier onuitvoerbare taak is, niet omdat hun konterfeitsels inhoudsloos zijn, maar juist naadloos passen in het stramien van het visuele, dat zijn overtuigingskracht zonder woorden aan de toeschouwer overdraagt. Helaas lijkt dit weer op het badineren van de nadruk op uitleg als belangrijkste toegang tot het actuele visuele, maar zo is het niet bedoeld. Om een lang verhaal kort te maken, van een reveil zal het dus niet komen, maar wel heeft al dit getob een lijst met onderwerpen opgeleverd, die naar ik hoop voor jonge kunsthistorici aanleiding kan zijn tot bespiegelingen over het ware gezicht van de hedendaagse kunst, waarin ook de positie van het realisme aandacht krijgt.

Al resumerende bekruipt me toch weer het gevoel, waar ben ik nou mee bezig. Door niet te schelden op mijn collega-galeriehouders van de selectiecommissie ontkracht ik mijn argumenten. Want daar gaat het toch om: wie zijn de ze, die het op hun geweten hebben, in aanmerking genomen dat ik mijn collega-galeriehouders van de selectiecommissie beter als slippen- dan als ideeëndragers kan beschouwen? Maar dan zit het toch wel in die hoek, hoe je het ook wendt of keert. Het zit niet in de kunst, het zit in de mensen er omheen, de entourage, de periferie, zeg maar.

Maar uiteraard ook weer niet allemaal, want, wat een toeval, ik las een interview met Taco Dibbits, de nieuwe directeur van het Rijksmuseum, die het onder andere over Kapoor en Rembrandt had. “Kunst roept emoties op, dat kan blijdschap zijn, maar ook troost”. Die uitspraak maakt me blij, want dat is onder andere wat schoonheid biedt. Doodgewone traditionele eenvoudige schoonheid. Ik wilde deze woorden weer schrappen, want in letterlijke zin doe ik onrecht aan de peilloze diepgang, die sommige kunstenaars daarmee bereiken. Maar ik laat ze staan, want die woorden raken ook aan de eenvoud van troost, eveneens een ervaring van grote diepgang, die het niet per sé van woorden moet hebben. Die waarden zoek ik al bijna achtenveertig jaar in de hedendaagse schilderkunst.

Die waarden degraderen mijn collega-galeriehouders van de selectiecommissie tot iets banaals, dat je kunt censureren, of aanvoeren als reden tot uitsluiting. Van die mensen zijn er helaas meer. Dat censureren gebeurt ook sluipend, onder andere door het er niet over te hebben, zoals op sommige kunstredacties. Ik heb niets tegen al die andere waarden die tegenwoordig hoog scoren, zoals maatschappelijke relevantie en drang tot vernieuwen. Het is zo jammer dat die waarden zijn verworden tot een dwingende mantra, ons opgedrongen als een onvoorwaardelijk dogma. Het zijn niet de kunstenaars die ons dat opleggen, het is de periferie, de mensen om hen heen. Geen reveil, zei ik 380 woorden terug. Misschien kom ik erop terug, ik heb mijn doelgroep gevonden.

Koen Nieuwendijk.







27 mei 2016

Geachte leden van de selectiecommissie van de KunstRai,

Tot mijn verbazing ontving ik van Erik Hermida uw afwijzende reactie op mijn aanmelding voor de KunstRai. Mij staat nog helder voor de geest hoe ik in 1983 niet werd toegelaten tot de kunstbeurs Art’83 in de Nieuwe Kerk. Ik heb toen nog samen met Adriaan van der Have voor de deur staan demonstreren. Nee, maakt u zich geen zorgen, dat zal ik nu beslist niet doen. Een drietal galeriehouders was het niet eens met het selectiebeleid. Dat waren Bram Volkers van Asselijn, Michiel Hennus van de Wetering Galerie en Rob Jurka. Zij vonden dat ook andere stijlen dan de moderne stromingen op de beurs thuishoorden en dank zij hun interventie werden het jaar daarna onder andere ook Mokum, Petit en Lieve Hemel tot de beurs toegelaten. Met deze actie gaven zij mij het vertrouwen dat ook in de kunstwereld de eigen voorkeur niet als het doorslaggevende criterium wordt gehanteerd.

Ik lees dat u inschrijvingen beoordeelt met deze visie in gedachten: “De KunstRai profileert zich als breed geöriënteerde kunstbeurs met een hedendaagse benadering van kunst: een bewuste keuze die past bij een tijd die gekenmerkt wordt door crossovers, diversiteit, tolerantie en integratie.” Ook hierin zie ik een bevestiging van mijn vertrouwen. Uw interpretatie van de geschetste visie begrijp ik niet.

Mij wordt in uw beoordeling aan de hand van weinigzeggende criteria (behalve dan het bijzonder beledigende “heeft niets met eigentijdse kunst te maken”) de maat genomen. Ik veroorloof mij daar commentaar op te geven.

“niet vernieuwend”
het woord vernieuwend is inmiddels een cliché, dat kan bogen op breed maatschappelijk, meestal onjuist, gebruik. Ik gebruik het liever niet, terwijl ik de stillevens van Alex de Vrede wel degelijk onthutsend oorspronkelijk vind. Maar wellicht bedoelt u ook wel zoiets.

“brengt zo’n beetje altijd hetzelfde”
Ik kan me voorstellen dat als men geconditioneerd is op steeds maar weer verandering of pogingen daartoe - met alle respect overigens - men wordt geleid door de gedachte dat vernieuwing voortkomt uit een bewust proces. Als u mij dan vervolgens jaar in jaar uit dezelfde kunstenaars ziet presenteren, die door de gebruikte techniek ook nog eens lang doen over hun schilderijen, haalt u dan uw neus daarvoor op? Er is sprake van een andere dynamiek. Bent u daar bang van, is dat ergens slecht voor? Elan kan toch ook ingetogen zijn? U had het toch over diversiteit?

“expositieprogramma (...) achterhaald”
Achterhaald is een begrip uit de modewereld, zegt eigenlijk meer iets over de perceptie van degene die dit poneert. Beeldende kunst is toch op de eerste plaats een autonome uiting, die niet achterhaald kan zijn. Zelfs niet als het een bewuste keuze is, zoals in het postmodernisme.

“niets meer met eigentijdse kunst te maken (heeft) …”
Daarmee oordeelt u impliciet dat eigentijdse kunst vernieuwend moet zijn, waarmee de dwanggedachte van vernieuwing zich plooit tot een artistieke plicht… Hoezo vrije kunsten? Hoe beledigend deze kwalificatie ook klinkt, toch denk ik dat u, de selectiecommissie, het goed bedoelt. Het kan haast niet anders, in uw ogen straal ik iets uit dat gevaarlijk is voor de beurs, voor de kunsten, voor de wereld. Wat zou dat toch zijn? Maar leest u anders dit eens:
De Kunst van het Walgen I
De Kunst van het Walgen II
De Kunst van het Walgen III
De Kunst van het Walgen VI
Ik schreef dit dertien jaar geleden. Zoek de verschillen, zou ik zeggen.

“Omdat we proberen de KunstRAI een nieuw gezicht te geven en het niveau willen vernieuwen en verjongen,”
Krijg ik niet de indruk dat het weer dezelfde strenge dogmatische KunstRai gaat worden zoals dat in de loop der decennnia een paar keer is gelukt? Maar dat kan een verkeerde interpretatie mijnerzijds zijn. Het lijkt me hoe dan ook moeilijk een niveau te vernieuwen en te verjongen. Bedoelt u daarmee dat ik te oud wordt bevonden? Maar zo jong is toch ook niet iedereen in de selectiecommissie?

“zonder dat zij daarbij oordeelt over de kwaliteit van de individuele kunstenaars”
Daarmee geeft u in feite aan dat u de galerie afwijst op grond van het idioom, dat wil zeggen de realistische schildertrant.

“Ten tweede wordt door u het aantal te presenteren kunstenaars te groot bevonden en verwacht u dat de stand ‘een grote super traditionele winkel met bekende handelswaar’ wordt.”
Hier hebt u een punt. Deze opmerking raakt een dilemma, waar ik regelmatig op stuit. Omdat ik met de meeste kunstenaars een zeer langdurig samenwerkingsverband ben aangegaan, voel ik me welhaast verplicht op elke beurs van elke kunstenaar een representatieve collectie op te hangen. Voor vijftien schilders is de ruimte dan meestal aan de krappe kant. Daar kan ik overigens aan toevoegen dat ik van plan was in de beoogde kleine stand dit principe los te laten. En overigens ook dat ik vol graag met leeg afwissel, zoals in mijn stand op Art Breda, jongstleden april, te zien was, en die sommige van de commissieleden zelf deelnemer aan Art Breda, toch gezien moeten hebben.

De reden dat ik dan toch alle kunstenaars op het aanmeldingsformulier invulde was dat ik op dat moment nog geen besluit had genomen wie de eer te beurt zou vallen, maar ook niet op de beurs wilde komen met een onaangekondigde kunstenaar. Het is een “waaruit te kiezen-lijst”. Tegen het gebruik van het woord “handelswaar” teken ik protest aan, u bedoelt dit duidelijk denigrerend. Al mijn kunstenaars zijn gepassioneerd, integer en hardwerkend, onafhankelijk en niet bang van risico’s. En lang niet allemaal gezegend met een goede verkoop, zoals de term handelswaar wel suggereert.

Uw denigrerende woorden laat ik verder voor wat ze zijn, wel vervelend dat u poogt mij weg te zetten als een handige handelsman, die beurs na beurs binnenloopt op makkelijk verkoopbare waar. Overigens, ik acht het de plicht van iedere galeriehouder zoveel mogelijk te verkopen, want het gaat tenslotte om het dagelijks brood van de kunstenaar. En ja, er zijn raakpunten met de traditie. De hele cultuur is doordesemd van traditie, zelfs het vermaledijde vernieuwen is al decennia een traditie. Maar wat daar nou verwerpelijk aan is? Maar ik denk dat ik begrijp wat u bedoelt. Zij, de echte modernen, met een stand vol avant-garde, steken hun nek uit, nemen risico, nemen genoegen met karige resultaten, en u haalt zich dan die supergrote traditionele winkel met bekende handelswaar voor de geest. Hoe hardnekkig kan een misverstand zijn?

Hoe dan ook, deelname aan de KunstRai leek mij nou juist een goede gelegenheid om te proberen met een sobere invulling de juiste uitstraling te bewerkstelligen. In welke plannen ik bovendien mijn dochter, 22 jaar jong, heb betrokken, als onderdeel van het plan dat zij in de nog niet zo nabije toekomst mijn plaats in de galerie gaat overnemen.

Het kan haast niet anders of u vindt alles verkeerd wat ik doe, u hebt een afschuw van mij, dicht mij een verwerpelijk soort handigheid toe. Wordt wakker. In Nederland iets in de kunst bereiken is een van de moeilijkste dingen die er bestaan. Daarom bewonder ik elke galeriehouder om in zijn/haar idealisme toch iets voor elkaar te krijgen in deze onmogelijke branche. Daarom hou ik mijzelf steeds voor dat u, de collega’s in de selectiecommissie, het goed bedoelt, maar juist omdat u een verkeerd beeld van mij heeft, en in feite ook van een flink stuk van de kunstwereld, u zich door dat beeld bedreigd voelt en daarom zo’n aanvallende houding aanneemt. Ik heb het net zo moeilijk, ik ben net zo’n niet te stuiten idealist als u. Stop met bestrijden, zoek liever aanknopingspunten. U bezorgt, buiten uw subcultuur, de kunst een verkeerd imago. Ooit zullen sociologen en kunsthistorici u op de pijnbank leggen, u typeren als dogmatisch, arrogant en dictatoriaal. Met de recente tentoonstelling van Jeroen Bosch in het achterhoofd, het zou mij niet verbazen als u dan als hedendaagse heksenjagers wordt gebrandmerkt. Voorkom dat, grijp in en wordt weer mens.

Koen Nieuwendijk.


BACK