BACK TO THE SHOW BACK to publications
Exhibition Annabelle Six June 2018

Buit

Deze catalogus is verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling van Annabelle Six, 3-24 juni 2018, en is samengesteld en geschreven door Koen Nieuwendijk. (16 pagina's, 27 afbeeldingen in kleur, ISBN 978-90-70402-52-5)


Buit is een breed begrip. Alles wat een mens meer doet dan vegeteren kan leiden tot buit. Wie voldoende van het leven heeft meegemaakt, weet hoeveel voldoening buit kan schenken. In het bijzonder als het in eerste instantie niet voortspruit uit op levensonderhoud gerichte activiteiten, die overigens helaas dikwijls tot het tegendeel van buit leiden. Een zelfgekozen beroep geeft meer kans op buit dan pure broodwinning, maar alles is rekbaar. Het meest voldoening geven activiteiten, die zowel tot het domein van de vrije tijd behoren als tot serieuze professie. Met name schilderen kan zich verheugen in de belangstelling van een enthousiaste schare "vrije-tijd-besteders". Waaruit met enige regelmaat de besten naar de kroon steken van professionele collega's. Buit in zicht.

Maar natuurlijk doet het woord buit tekort aan de spirituele voldoening die schilderen kan schenken - een voldoening die het materiële aspect doorgaans overvleugelt. Al met de eerste schreden, die Annabelle Six op het magische pad van de schilderkunst zette, boorde zij een onvermoede fascinatie aan - een fascinatie die uitgroeide tot een levensdoel.



Er zijn docenten van kunstopleidingen, die het als hun taak zien stillevens te benoemen als lege hulzen van herhaling, die - zo redeneren zij - niets anders weergeven dan het kale beeld, d.w.z. zonder maatschappelijke referenties, laat staan relevantie (immers de scherpe glazuur van wat kunst heden hoort te zijn).

Wat is daarop mijn antwoord? Het stilleven behoort tot het domein van de universele, inclusieve taal, die vele eeuwen overbrugt, dwars door politieke systemen, ideologieën, utopieën en maatschappelijke klassen heen. Het stilleven is het archetype van kunstzinnige vrijheid en tegelijk het waarschuwende symbool van - in overdrachtelijke zin - dodelijke gewoonten. Waaraan toegevoegd: niet omdat het genre in het Frans "nature morte" heet.

Hoe divers ook de gestalten zijn die het woordloze beeld kunnen aannemen, het stilleven zal er altijd onderdeel van blijven uitmaken. In het gedruis van vernieuwingsdrang en maatschappelijke relevantie is de troostende eenvoud van schoonheid ondergesneeuwd, maar niettemin onverminderd van kracht. Zoals in het maatschappelijk debat een historisch besef van (en inzicht in) de evolutie van denken en doen onmisbaar zijn, zo zijn de voorgaande eeuwen ook in beeldend opzicht onmisbaar voor het begrijpen van (en deelnemen aan) de complexe patronen die het heden over de mens uitstrooit. In feite is de durende omarming van het stilleven een teken van democratisering betreffende de acceptatie van kunst.



Maar kunst zelf is niet democratisch. Het maken, doorgaans in zijn essentie beschreven als de allerindividueelste menselijke uiting - waar ik overigens kanttekeningen bij plaats, want in zijn gedachten verkeert de mens vrijwel altijd in een staat van dialoog - onttrekt zich aan elke a priori omschreven karakteristiek, en raakt in feite de grens van singuliere autoriteit en dictatuur, maar zwiept net zo makkelijk richting brede sociale interactie. Daar dwars doorheen blijft het stilleven zich manifesteren.

Schilderen van stillevens is een vorm van het zich toe-eigenen van het geschilderde. De voorwerpen transformeren van pure aanwezigheid tot onderdeel van een emotionele entiteit. Terwijl ik dit schrijf wellen spontaan de woorden "kunstmatige intelligentie" in mij op, alsof mijn alterego mij in gedachten voorlegt dat die voorwerpen als persoonlijkheden tot leven komen, maar daar ga ik niet in mee. Ten eerste zou wat nu "kunstmatige intelligentie" heet, als "gesimuleerde intelligentie" moeten worden benoemd. Is niet het hele complex van factoren dat achter intelligentie schuil gaat, zo intens met de mens verknoopt, dat het veronderstellen van een kunstmatige variant een contradictio in terminis is? Ten tweede, wat men zo graag ziet als intelligentie van een computersysteem komt voort uit de instructies van de programmeur - de mens dus. De robot voert die uit, mits die wordt aangezet. Zelflerend is als uitdrukking minstens zo misleidend, want wat de robot ook doet, het is het regelrechte gevolg van de menselijke instructies. Algoritmes zijn in getallen vertaalde gebeurtenissen, al dan niet de mens betreffend. Die algoritmes zijn hoogstens met behulp van computers blootgelegd, een kwestie van tijdwinst dus. Het gevaar bestaat dat er te weinig mensen overblijven die begrijpen hoe de algoritmes moeten worden aangestuurd, maar met intelligentie van computers heeft dat weinig van doen.

Wat dit te maken heeft met stillevens, vraagt u zich af. Heel eenvoudig. Het onuitputtelijke reservoir van de menselijke maat omvat alle gestalten die kunst kan aannemen. Het is vreemd dat binnen de discipline van de vrije kunsten gronden van uitsluiting normaal worden gevonden. Wat nu heerst is dat op een manier, zoals gangbaar in de modewereld, het dogma van de dag leidend is. En de rest niet telt. Dat is minstens zo hard de plank misslaan als het benoemen van een berg aangestuurde elektrische stroompjes als zijnde kunstmatige intelligentie. Maar ik dwaal af.



Beter dan van transformatie is het te spreken van toevoegen van een dimensie, waarmee het betreffende voorwerp wordt verheven tot een visueel detail van de werking van de menselijke hersenen. Ik zal proberen dit te beschrijven middels het wonder van het besje. Het besje, dat je als schilder kunt herscheppen, en dat je in al zijn onaanzienlijkheid iets van de magie van ruimte en tijd kunt meegeven. Dat wonder voltrekt zich pas na een jarenlange strijd met verf en penselen, en manifesteert zich evengoed als terloops, bijna achteloos - maar dat is het niet! Het gebeurt door de eeuwen heen, steeds opnieuw, met de eenvoud van een geheime schat, omdat soms herkenning even op zich laat wachten. Wat nauwelijks deert, want wie het aangaat heeft geen uitleg nodig.

Je ziet ze op Romeinse fresco's, bij Botticelli, Jeroen Bosch, Adriaen Coorte, maar ook deze eeuw, bij Hendrick Brandtsoen, bij Peter van Poppel. Maar dit is tussen ons, hou de schilders in het ongewisse, het komt vanzelf, vroeg of laat. Het besje is eenvoudig en bij lange na het moeilijkst niet - het is zeker geen meesterproef. Of misschien toch wel. Deel van mijn fascinatie is de schijnbare achteloosheid waarmee de besjes zijn neergezet. Als schilder kun je ze pas schilderen - tussen neus en lippen door - als de hoogstandjes lukken. Zoveel eer valt er niet aan te behalen, maar ondertussen...

De mooiste zijn die waarvan het lijkt of het pigment al aan het verbleken is, maar let op, zowel de oude als de nieuwe besjes hebben min of meer dezelfde voorzichtige verzadiging van kleur, dus moet er wel opzet in het spel zijn. Ook Annabelle Six schilderde besjes, maar die zijn dominant en krachtig, en horen tot de categorie van het monumentale. Het zou best wel kunnen gebeuren... (ik acht haar ertoe in staat, maar verklap het haar niet). Terwijl ik mijn blik laat dwalen over haar schilderijen besef ik dat het een wonder mag heten dat zij in zo weinig jaren zo ver is gekomen.










This catalogue has been published at the occasion of Annabelle Six's solo exhibition, June 3-24 2018, and is compiled and written by Koen Nieuwendijk. (16 pages, 27 full colour reproductions, ISBN 978-90-70402-52-5)


As a concept "prize" is open to many different interpretations. Any human activity that goes beyond the purely vegetative may end up yielding a prize. Anyone who has truly lived will appreciate how much satisfaction prizes can bring, especially where the underlying act or action was not primarily to do with livelihood-related activities (these being the kind of activities whose upshot, sadly enough, tends to be the antithesis of a prize). Although a profession of one’s own choice offers greater scope for prizes than mere “breadwinnership”, none of this is set in stone. Pursuits that belong to the domains of leisure and serious profession at the same time tend to be the most gratifying. Painting in particular is an area of keen interest for the many fervent leisure practitioners it attracts, the most talented of whom at more or less regular intervals will break free in an attempt to outdo their professional colleagues – prize within grasp.

At the same time “prize” as a term does an obvious injustice to the spiritual gratification painting can bring, and which more often than not eclipses the material aspect. Annabelle Six’s first steps on the magical path of painting involved her tapping into a previously unsuspected fascination that blossomed into a true life purpose.



Tome art course teachers consider it their duty to define the still life as an empty husk of repetition that depicts nothing but the bare image, devoid of social reference and, worse still, of relevance, as the jagged glaze of “proper art” in this day and age.

So, what would be my response? The still life forms part of the domain of that universal, all-inclusive language that straddles centuries, cutting right through political systems, ideologies, utopian dreams and social strata. The still life is the archetype of artistic freedom and the warning symbol (in a figurative sense) of lethal habits. To which I would hasten to add that this is nothing to do with the French using the term “nature morte” to describe the genre.

No matter how diverse the forms to be adopted by the wordless image, the still life will always form part of it. The comforting simplicity of that which is beautiful may have been side-lined in the turmoil of innovation and social relevance, but it works as much today as it ever did. Similarly to the indispensability of a historical appreciation of and insight into the evolution of thought and action as part of the public debate, the past centuries likewise have been visually indispensable to gaining an understanding of and participation in the complex patterns the present sprinkles over mankind. In actual fact the lasting embrace of the still life is a sign of democratisation in terms of artistic acceptance.



Art per se is not a democratic thing. The creation of art, which in its essence is usually described as the most individual human expression possible – although I’m not convinced that this is accurate, for isn’t man in his own mind virtually constantly involved in dialogue? –, is a process which shirks all predefined characteristics, effectively touching the extremes of singular authority and dictatorship yet veering off just as easily in the direction of broadly based social interaction. And yet the still life – seemingly imperviously – continues to manifest itself.

Still life painting in a way boils down to the artist’s appropriation of the objects in question by causing these to undergo a transformation from sheer presence to part of an emotional entity. In my mind I can hear the words “artificial intelligence” clamouring for attention while I’m writing this, almost as if my alter ego within the confines of my mind is willing me to have the objects in question spring to life as if they were personas, but I’m having none of this, if only for the simple reason, first, that “artificial intelligence” as we know it now really should be renamed “simulated intelligence”: after all, isn’t the whole intelligence-veiled complex of factors so intensely bound up with man as to render the presumption of an artificial strain of intelligence a contradiction in terms? Second, a computer system’s intelligence – as it is popularly called – is merely the outcome of instructions entered by a human programmer. The robot will perform the tasks on condition that a human should first switch it on. “Self-learning” as an expression is at least as misleading: no matter how many tasks the robot may end up mastering, the whole process stands or falls by a human issuing instructions. Algorithms are number-denominated events that may or may not have any bearing on man. At best the algorithms can be said to have been exposed using computers, which has allowed the process to be sped up. I’ll grant you that there is a risk that not enough people may be left who understand how to control algorithms, but this has very little to do with computer intelligence.



You may have started to wonder what any of this is to do with still lifes. It really is quite simple: the inexhaustible reservoir of the human dimension accommodates the full range of artistic forms. Funnily enough grounds for exclusion are considered quite normal within the discipline of the liberal arts, which is about as wide of the mark as insisting on slapping the “artificial intelligence” moniker on a bunch of controlled electric currents.


But I digress. Rather than using the term “transformation”, it would be better to refer to “adding a dimension” resulting in the object in question having its status raised to that of a discernible aggregate of the workings of the human brain, as I shall try to illustrate by referring to the miracle of the berry – that humble piece of fruit which as a painter you can create afresh and in which you can instil an aspect of the magic of time and space. It is a miracle which it takes a struggle of many years wielding paints and brushes to accomplish, and yet it manifests itself as something casual which it has taken the artist little to no forethought at all to pull off … even though nothing could be further from the truth. We have seen this happen again and again through the ages, with the sincerity of a hidden treasure, for recognition at times takes a while to take hold. Which hardly matters, for those whom it concerns don’t need an explanation.

You see them in Roman frescoes and in paintings by Botticelli, Jheronimus Bosch and Adriaen Coorte, but also in the work of contemporary painters such as Hendrick Brandtsoen and Peter van Poppel. However (and this is strictly between us), by all means keep the painters guessing, for sooner or later everything will work itself out. The berry is a simple thing. By no means does it pose an exacting test, much less a masterpiece challenge … or perhaps it does.

Part of my fascination is the seeming carelessness with which the berries have been depicted. As a painter you would postpone painting them in – as you went – until you had got to grips with the real master strokes. There’s no real credit to be gained by painting in a few berries, and yet … the best ones are those whose pigment appears already to be fading, but make no mistake: the colour saturation of the old and the new berries is more or less the same, which is suggestive of a deliberate choice on the part of the painter. Annabelle Six too has been known to paint berries. Hers are dominant and powerful and come under the category of the monumental. It could easily happen and I would by no means put it past her, and yet I fully intend to keep her guessing.






BACK